maandag 4 mei 2009

Hongerwinter

Over de Bezetting heb ik goed beschouwd zelden gepraat en nooit geschreven. Mij ontbreekt het talent om gevoelens van toen passend te verwoorden. Oppervlakkig gezien ging het leven min of meer gewoon door. Maar in mijn directe omgeving sloeg de bezetter onbarmhartig toe. Ze waren communisten, mijn familieleden, en waren al snel betrokken bij verzetsactiviteiten. Mijn oom Willem, zwager van mijn ouders, werd in juni 1941 gearresteerd, werd gevangen gehouden in Amersfoort en kwam in 1943 om in Auschwitz. Mijn vader ontsnapte in juni 1941 aan arrestatie, dook oder en werd drie jaar later alsnog gegrepen. Of hij nog leefde wisten we niet. 'Ben naar Duitsland, Henk', schreef hij op een stukje vetvrij papier dat hij, met ons adres, uit de trein gooide. Iemand vond het, deed er een enveloppe omheen en stuurde het ons toe.
Mijn ouders woonden op 'Het Gebouw' in de Goudsbloemstraat, 129 drie hoog voor. Een lichte eenkamerwoning met bedsteden. Mijn grootouders waren op 127/3 onze buren. Via de zolder hadden we contact. Berta, zuster van mijn moeder, woonde Goudsbloemstraat 137, ook op 'Het Gebouw'. De arrestaties hadden directe gevolgen voor onze leefwijze. Slapen deden we ook daarna nog thuis maar we leefden bij mijn grootouders. Met al die mensen en een houtgestookt noodkacheltje, waarop ook het eten werd bereid, was het er zelfs in de Hongerwinter van 1945 warm en knus.
De laatste maanden van de bezetting viel er niet veel te eten, al waren we bevoorrecht boven de meeste buren. De illegaliteit verschafte ons extra bonkaarten, tijdens bijeenkomsten van de illegaliteit werd ons soms het nodige toegestopt. Er viel op die bonnen niet veel te krijgen maar alle beetjes hielpen.Lekker was het allemaal niet. De veenaardappelen bij de groetenman waren zoet en glazig. Het brood bij de nog werkende bakkerijen was klef, je moest er lang voor in de rij staan en dat was ook ok andere redenen niet steeds een pretje. Van die even vrouw bij wie de luizen over haar mantel marcheerden had ik jaren laten nog nachtmerries.
IDe weezoete tulpenbollen en suikerbieten waren zonder bon. De bollen gingen door voor aardappelen, uit de pulp van de bieten werd op het noodkacheltje een onwelriekende stroop getrokken.
Februari 1945 trok mijn grootmoeder er met de kinderwagen op uit en kwam weer thuis met aardappelen. Eetbaar dit keer, en tegen een redelijke prijs want van een bevriende boer. Op mijn verjaardag, in april , werd ik op een feestmaal getracteerd. De Bezetting kon niet lang meer duren, zorgvuldig bewaarde lekkernijen werden aangesproken. Griesmeelpap en bessensap als hoogtepunt. Daarna werd de honger nog nijpender. Van mijn oom Dirk, broer van mijn vader, kreeg ik wekelijks een rijksdaalder zakgeld, aan astronomisch bedrag. Daarvoor kocht ik een portie slagcrême, smerige rommel maar het was zoet en vulde de maag. Naar school, de HBS op de Keizersgracht, gingen we alleen nog 's ochtends. De lessen werden onderbroken voor een maaltijd op de Prinsenschool, aan de NZ Voorburgwal. Waterige soep van de Centrale Keuken, onze concierge likte de gamellen leeg. Met slierten soep aan zijn snor bleef van het ontzag dat we voor hem hadden niet veel over.
Maar toen was de Bezetting bijna voorbij.